Partnergeweld: drie blinde vlekken die het systeem in stand houden

De woorden waarmee we geweld benoemen, bepalen of we het bestrijden of in stand houden. Dat is geen poëtische uitspraak. Het is de hardste les uit dertig jaar onderzoek naar besluitvorming en framing[1]: taal is geen verpakking van een probleem, taal is wat het probleem in onze hoofden activeert. En als je in een zaal vol hulpverleners staat die dagelijks met partnergeweld werken, valt het op hoe vaak we daar nog blind voor zijn.

Ik ben geen expert in partnergeweld. Ik ben gedragsontwerper. Ik bestudeer hoe taal, framing en systeemprikkels bepalen wat mensen werkelijk doen. Op een lezing voor het CAW heb ik dit voorgelegd: de manier waarop we partnergeweld bespreken is zelf onderdeel van het probleem geworden. We zeggen "huiselijk geweld" en het klinkt gezellig. We zeggen "uit de hand gelopen" en de pleger verdwijnt uit de zin. We zeggen "passioneel drama" en het wordt een liefdesverhaal.

Die woorden activeren scripts in ons hoofd. Bij plegers, slachtoffers, hulpverleners en bystanders. Scripts die geweld normaliseren in plaats van doorbreken. Wie dit probleem serieus wil aanpakken, moet drie soorten blindheid herkennen die het gedrag onbedoeld in stand houden.

De drie blindheden: blindheid voor hoe ons brein werkelijk denkt en beslist (Systeem 1 wint structureel van Systeem 2), blindheid voor wat mensen werkelijk drijft (gedrag is altijd een oplossingspoging voor een onderliggende behoefte) en blindheid voor het systeem (regels, doelen en feedbackloops bepalen wat individuen kunnen doen). Wie alleen op één laag interveniëert, krijgt de andere twee als tegenspeler.

De eerste blindheid: hoe ons brein over geweld denkt

Daniel Kahneman heeft het in twee systemen vereenvoudigd[2]. Systeem 1 is snel, automatisch en associatief: het labelt wat het hoort en koppelt er meteen een gevoel en een handelingsroute aan. Systeem 2 is traag, analytisch en duur in energie: het kan Systeem 1 corrigeren, maar doet dat alleen als we het bewust dwingen. Onder druk verliest Systeem 2 vrijwel altijd. En in de wereld van partnergeweld werken we voortdurend onder druk.

Wat dat in de praktijk betekent zag Pharos jaren geleden in het werk rond meisjesbesnijdenis. De eerste campagnes spraken over "barbaarse praktijken", "misdaad", "vergoelijken". De inzet was moreel zuiver. Het effect was rampzalig. Hulpverleners die met gemeenschappen wilden werken kregen er geen voet meer tussen, want de framing had hun gesprekspartners op voorhand veroordeeld. Pas toen Pharos de framing kantelde naar "onze hulpverleners moeten hun werk kunnen doen om zoveel mogelijk meisjes te beschermen" gingen er deuren open. Niets aan het probleem veranderde. Alles aan de toegang tot het probleem veranderde.

Bij partnergeweld speelt hetzelfde mechanisme. Zodra het label "partnergeweld" valt, schiet Systeem 1 in alarmfase 3. De hulpverlener voelt: als ik hier een stap zet kom ik in een shitstorm terecht. De buurman voelt: dit gaat me niet aan. De huisarts voelt: dit overstijgt mijn consult. Precies in die seconde dat Systeem 1 het overneemt, kiest het brein voor de woorden die het ongemak verzachten.

Daarom blijft "relatieprobleem" zo populair. Het activeert het symmetrische koppeltherapie-script: er zijn altijd twee kanten, ze moeten er samen uitkomen. Daarom blijft "huiselijk geweld" overeind. Het klinkt vertrouwd, gedomesticeerd. Daarom is "uit de hand gelopen" zo verraderlijk. Het maakt van mensen lijdende voorwerpen van een gebeurtenis die niemand heeft uitgevoerd.

De linguïst Julia Penelope heeft dat patroon beroemd gemaakt[3]. Je kunt een zin over geweld stapsgewijs afpellen tot de pleger is verdwenen. "John sloeg Mary." Daarna: "Mary werd geslagen door John." Daarna: "Mary werd geslagen." Daarna: "Mary is een mishandelde vrouw." En tot slot: "Mary heeft een verleden van mishandeling." Vijf zinnen verder is John uit de gedachten van iedereen verdwenen die de zin leest. Het taalgebruik heeft het werk voor hem gedaan.

Hetzelfde gebeurt op een andere as met "passioneel drama" en "liefdesdrama". Geweld wordt hier een tragedie waarin twee gelijken vastzitten, gestuwd door emotie die niemand kon kanaliseren. Romantisch en dramatisch. Juridisch en bestuurlijk volstrekt ontwapenend.

Een betere Systeem 1-framing is mogelijk. Niet als slogan, maar als precieze beschrijving die het brein het juiste handelingsscript laat oppakken. In plaats van "een man met agressieproblemen": "een man die zijn vrouw systematisch controleert. Wie ze mag zien, wat ze mag uitgeven, waar ze mag zijn. Het slaan is het deel dat je ziet." In plaats van "ze is naar de vrouwenopvang gevlucht": "hij heeft van haar huis een plek gemaakt waar zij niet veilig is. Hij is degene die daar weg moet." In plaats van "gelukkig is ze nu weg bij hem": "ze heeft hem verlaten. De volgende zes maanden zijn de gevaarlijkste van haar leven."

Geen van deze zinnen is dramatischer dan de oude. Ze zijn alleen accurater. Ze laten Systeem 1 de juiste film afspelen.

De tweede blindheid: gedrag is altijd een oplossingspoging

De tweede blindheid is gevaarlijker omdat ze zich vermomt als compassie. Ze zit in onze aanname dat we plegers van partnergeweld kunnen veranderen door ze te confronteren met de afschuwelijkheid van wat ze doen. Inside-out denken heet dat: vanuit ons morele systeem proberen het gedrag van de ander te beïnvloeden. We willen dat hij begrijpt wat hij aanricht. We willen dat hij schaamte voelt. We willen dat hij het slechte deel van zichzelf onder ogen ziet.

In de meeste gevallen gebeurt dan precies het omgekeerde. Het judgmental brein van de pleger schiet in de verdediging. Hij minimaliseert. Hij externaliseert. Hij vertrekt uit het gesprek. Het systeem haalt zijn schouders op: zo zijn ze nu eenmaal.

Outside-in denken vraagt iets ongemakkelijks. Het vraagt dat je je eigen oordeel voor even uitzet en de vraag stelt: welke onderliggende behoefte probeert deze persoon met zijn gedrag te bedienen? Welke betere oplossing voor diezelfde behoefte zou hem in beweging kunnen brengen? Dit is geen vergoelijking. Het is dezelfde logica waarmee we anorexia bestrijden. We weten dat de eetstoornis op symptoomniveau ziekmakend is. We weten ook dat ze op een dieper niveau een poging is om controle te houden in een leven dat oncontroleerbaar voelt. Wie alleen op het symptoom intervenieert (eet meer, want anders ga je dood), werkt niet met maar tegen het brein van de patiënt.

Bij plegers van partnergeweld geldt hetzelfde principe. Het slaan is het symptoom. De onderliggende behoefte is bijna altijd een poging tot controle: over het leven, over de partner, over een dreigend verlies van status of zekerheid. De vraag is dan niet of dat oké is — dat is het niet — maar welke betere oplossing voor diezelfde behoefte werkt.

Drie ingangen blijken in de praktijk te werken.

De eerste is een beter voorbeeld voor de kinderen kunnen zijn. Vrijwel elke pleger zegt op enig moment: "ik wil niet dat mijn kinderen later zo worden als ik." Die zin opent een deur die geen enkel moreel verwijt opent.

De tweede is de stress en zorgen die je ziek maken naar beneden krijgen. Veel plegers leven in een permanente staat van fysieke en mentale ontregeling. Het geweld is de uitlaatklep, niet de oorzaak. Wie de drukpan kan helpen lossen, krijgt zicht op de drukpan zelf.

De derde is voorkomen dat je krampachtig alles wat je wil houden, juist gaat verliezen. Dit is misschien wel de krachtigste. De zaak rond Mark Overmars in 2022 illustreert dat scherp. Op het moment dat het bestuur van Ajax hem confronteerde, gebeurde er niet wat de publieke verontwaardiging eiste: een morele zelfevaluatie. Wat er gebeurde, is wat altijd gebeurt: een man die in een fractie van een seconde besefte dat alles wat hij had opgebouwd op het punt stond uit zijn handen te glippen. Carrière, club, gezin, reputatie. Op dat moment werd zijn Job To Be Done niet langer "blijven doen wat ik doe", maar "voorkomen dat ik alles verlies".

Datzelfde mechanisme werkt op de werkvloer en in het gezin. "Als dit waar is, kom je nationaal in de schandpaal. Je brengt hiermee je club, je gezin, je hele leven in gevaar. Ik ga je niet vertellen of het waar of niet waar is. Wat ik je wel zeg: als het waar is, moet je dit nu fixen, en wij kunnen je daarbij helpen." Dat is geen morele veroordeling. Dat is een precieze framing die de kosten en baten van het gedrag voor de pleger zelf zichtbaar maakt. Die framing maakt het verschil tussen iemand die zich opsluit en iemand die de telefoon pakt.

Van gedragswetenschap naar gedragsontwerp

Je leest erover. Maar wat als je het zelf kon toepassen, op klanten, collega's, burgers of stakeholders?

Als Europa's #1 academy in Behavioural Design trainen we vakprofessionals in het analyseren, voorspellen en beïnvloeden van gedrag, live, online of in teamverband. Gebaseerd in Amsterdam, met meer dan 10.000 alumni van Londen tot Sydney en van Singapore tot New York.

Google 4.8/5 Bloomville 5 sterren Springest 9.7
EQAC gecertificeerd EQAC
Certified
Training

De derde blindheid: het systeem dat geweld binnenshuis houdt

Wie alleen naar het brein van plegers en slachtoffers kijkt, mist het belangrijkste. Partnergeweld is niet alleen een gedragsprobleem. Het is een systeem. Een systeem dat onbedoeld maar effectief precies doet wat we niet willen.

In dat systeem werken drie subsystemen tegelijk en op elkaar in.

Systeem A is de relatie zelf. Een intieme dyade waarin geweld functioneert als instrument om controle, status of emotionele regulatie in stand te houden. Een gesloten systeem met eigen logica, eigen feedbackloops (escalatie, verzoening, hoop, isolatie) en een eigen geheimtaal die buitenstaanders niet kunnen lezen.

Systeem B is de sociale omgeving. Familie, vrienden, buren, werk, sportclub, kerk. Dit systeem heeft als dominant doel sociale cohesie en ongemakvermijding. Het ziet meer dan het toegeeft te zien. Het heeft sterke mechanismen om weg te kijken en die mechanismen zijn niet kwaadaardig, ze zijn beschermend voor de groep.

Systeem C is het institutionele veld. Politie, Veilig Thuis, huisartsen, vrouwenopvang, jeugdzorg, OM, reclassering, verzekeraars. Dit systeem claimt als doel bescherming en herstel, maar optimaliseert in de praktijk vaak voor iets anders: doorlooptijden, dossiers, ketenafspraken, rechtmatigheid.

Het systeem werkt uitstekend voor iedereen die belang heeft bij de privatisering van geweld. Het werkt voor wetgeving die gezinsautonomie boven veiligheid plaatst, want dan hoeft de staat niet structureel in te grijpen. Het werkt voor media die partnergeweld framen als relatiedrama, want dan is het een persoonlijk verhaal en geen maatschappelijk probleem. Het werkt voor beleid dat preventie financiert als tijdelijk project, want dan kan de verantwoordelijkheid worden weggegeven aan een subsidie die over twee jaar afloopt. En het werkt, onbedoeld maar effectief, voor ons allemaal. Want zolang het een privékwestie is, hoeven wij ons er niet mee te bemoeien.

Het systeem doet niet te weinig. Het doet precies wat het ontworpen is om te doen: geweld binnenshuis houden. Letterlijk en figuurlijk.

Vier feedbackloops houden dit evenwicht in stand.

Loop 1: isolatie versterkt afhankelijkheid. Hoe meer geweld, hoe meer isolatie van familie en vrienden. Hoe meer isolatie, hoe afhankelijker het slachtoffer wordt van de pleger voor bevestiging en realiteitstoetsing. Hoe groter die afhankelijkheid, hoe makkelijker het geweld te normaliseren is. Deze loop draait binnen Systeem A en is op zichzelf al genoeg om iemand tien jaar vast te houden.

Loop 2: wegkijken normaliseert wegkijken. Als de buren niets doen, bevestigt dat voor elke individuele buur dat het wel meevalt. Pluralistische onwetendheid als collectief zelfbedrog. Iedere buur leidt uit het zwijgen van de andere buren af dat er niets aan de hand is.

Loop 3: melding-zonder-gevolg ondermijnt melden. Een slachtoffer meldt, er gebeurt iets half (een gesprek, een waarschuwing, een dossier) en daarna gaat de pleger naar huis. Het geweld escaleert, omdat de pleger nu weet dat melden voor hem ongevaarlijk is. Volgende keer meldt het slachtoffer niet meer. Deze loop is catastrofaal: elke gebrekkige interventie maakt de volgende melding onwaarschijnlijker en de volgende escalatie waarschijnlijker.

Loop 4: dossier-werk verdringt contact-werk. Elk nieuw incident leidt tot meer registratie-eisen. Meer registratie betekent minder tijd voor direct contact. Minder contact betekent slechter zicht op wat er echt speelt. Slechter zicht betekent meer incidenten die escaleren. Meer incidenten leiden tot meer registratie-eisen.

Dit zijn geen anekdotische problemen. Dit zijn structurele patronen die elke individuele professional zullen overrulen, hoe goed haar bedoelingen ook zijn. Wie alleen mensen traint, verandert daar niets aan.

Hefbomen: hoe je dit systeem kantelt

Donella Meadows heeft een ranglijst gemaakt van plekken waar je in een systeem kunt interveniëren[4]. Onderaan: parameters bijstellen — een budget verhogen, een bezetting uitbreiden. Beperkt effect. Halverwege: regels veranderen — wie heeft welke bevoegdheid, wie draagt welke last? Krachtig effect. Bovenaan: doelen veranderen — waar stuurt het systeem op? En helemaal aan de top: paradigma veranderen — welk wereldbeeld zit onder het systeem?

Voor partnergeweld zijn drie hefbomen kandidaat.

Op regelniveau ligt de bewijslast en de handelingslast op dit moment vrijwel volledig bij het slachtoffer. Zij moet aangifte doen. Zij moet verklaren. Zij moet verhuizen. Zij moet de kinderen meenemen. De pleger blijft in veel gevallen in het huis wonen. Een regelverandering die die verhouding omdraait — bij een melding van geweld verlaat standaard de pleger het huis tot duidelijk is wat er speelt — werkt op een ander niveau dan extra mensen of meer geld. Oostenrijk heeft die regel sinds 1997 (de zogeheten Wegweisung) en de effecten zijn gedocumenteerd[5]. Het verandert wie het systeem belast.

Op doelniveau is de pijnlijkste vraag: waar stuurt onze hulpverlening werkelijk op? Op aantal trajecten, doorlooptijd en gesloten dossiers. Dan is het systeem een productieapparaat voor afgehandelde zaken. Verschuift het doel naar herovering van autonomie door het slachtoffer en aantoonbare gedragsbeheersing van de pleger, dan kantelt zonder één muur te verzetten het hele systeem. Dat is dezelfde logica als wanneer een ziekenhuis door een investeringsmaatschappij wordt overgenomen: het gebouw is hetzelfde, maar het stuurorgaan stuurt nu op iets anders en alle prikkels schuiven mee. In dit geval is het de omgekeerde beweging: niet sturen op rendement, maar sturen op uitkomst voor mensen.

Op paradigma-niveau zit de moeilijkste verschuiving. Zolang we plegers framen als "monsters" of "zieke mannen", houden we ze buiten ons bereik en bevestigen we hun zelfbeeld dat ze een geheim moeten bewaren. Een werkbaar paradigma is anders: dit is een man die op het punt staat alles te verliezen wat hij krampachtig probeert vast te houden, en wij zijn de enige plek waar hij dat kan voorkomen. Niet door empathie met zijn gedrag, maar door precieze framing van zijn eigen belang.

Als ik minister van zorg zou zijn

De vraag waarmee elk gesprek over systeemverandering uiteindelijk eindigt, is: waar zou je dan op gaan sturen? Welke maat zou de minister van zorg morgen invoeren om zichtbaar te maken of het werkt?

Vier kandidaten halen de finale niet.

Aantal herhaalde incidenten klinkt logisch, maar onder-rapportage saboteert deze maat. Succesvolle hulpverlening kan stijging in meldingen veroorzaken, omdat vertrouwen groeit. Falende hulpverlening kan daling veroorzaken, omdat het slachtoffer nooit meer belt. De maat stuurt het systeem naar zwijgen.

Aantal femicides per jaar heeft morele urgentie, maar is statistisch te zeldzaam om mee te sturen. Goed als achtergrondindicator. Onbruikbaar als operationele KPI.

Tevredenheid van het slachtoffer klinkt modern. Het is gevaarlijk. Een slachtoffer in een coercive control-situatie is geconditioneerd om tevreden te reageren op elke vorm van externe bemoeienis, omdat zij heeft geleerd dat klagen consequenties heeft. Tevredenheid meet een mengeling van comfort, gewenning en angst, niet van veiligheid.

Stoppen van het geweld zelf, gemeld door het slachtoffer, blijft afhankelijk van de pleger en van de bereidheid van het slachtoffer om iets te zeggen. Te veel ruis, te veel vertekening.

De beste kandidaat is herovering van autonomie door het slachtoffer, gemeten via een klein aantal concrete indicatoren. Heeft zij eigen inkomen of toegang tot eigen geld? Beslist zij zelf over haar dagindeling? Onderhoudt zij zelfgekozen sociale contacten? Heeft zij een eigen woonplek waar zij de sleutel van heeft? Heeft zij een eigen huisartsdossier waar hij niet bij kan? Gemeten op zes en achttien maanden na het eerste contact.

Deze maat is interessant om drie precieze redenen.

Ze meet het tegenovergestelde van wat de pleger produceert. De pleger produceert isolatie, financiële afhankelijkheid, controle over de dag, beperking van sociale contacten. Autonomie is de directe inverse. Stijgt autonomie, dan is het geweldssysteem structureel aan het wijken, ook als er nog incidenten zijn.

Ze is meetbaar zonder afhankelijk te zijn van de pleger. Anders dan "stopt het geweld" hoeft deze maat niet te wachten op zijn gedragsverandering. Ze kan stijgen terwijl hij nog niet is veranderd, simpelweg doordat zij meer grond onder de voeten krijgt.

Ze legt de last niet bij het slachtoffer. Autonomie is iets wat door hulpverlening wordt gefaciliteerd, niet iets wat het slachtoffer moet "bereiken". De hulpverlening wordt afgerekend op hoeveel ruimte ze heeft helpen creëren, niet op hoeveel stappen het slachtoffer heeft gezet.

Wie deze maat invoert, verschuift zes dingen tegelijk.

Hulpverleners gaan vragen stellen die ze nu niet stellen. Niet "hoe is de situatie thuis", maar "wie heeft de pin van je bankrekening" en "met wie heb je deze week contact gehad buiten hem om".

Het systeem gaat middelen anders verdelen. Financiële zelfstandigheid en huisvesting worden core business in plaats van nazorg.

Een groot deel van de casussen die "slagen" volgens de oude metriek "faalt" volgens de nieuwe. Dat is pijnlijk en zal weerstand oproepen, maar het is informatie die het systeem nu mist.

De druk op het slachtoffer wordt verlicht. Zij hoeft niet meer te kiezen tussen "blijven" of "weggaan" als prestatie van de hulpverlening. Elke stap richting autonomie telt mee, ook binnen de relatie. Dat is psychologisch realistischer en strategisch slimmer: autonomie opbouwen is vaak de voorwaarde om hem ooit te kunnen verlaten.

De verantwoordelijkheid voor het stoppen van geweld komt terug bij de pleger en de handhaving, waar die hoort. De hulpverlening wordt niet meer afgerekend op iets waarover ze geen macht heeft, maar op iets waarover ze invloed heeft: haar speelruimte.

Er ontstaat een feedbackloop die nu ontbreekt. Hulpverleners horen op dit moment zelden wat hun werk heeft opgeleverd; de casus sluit en de uitkomst verdwijnt. Een meting op zes en achttien maanden creëert een leerloop die professionals weer verbindt met de zin van hun werk. Dat is een tweede-orde winst die het hele veld raakt.

Een aanvullende kandidaat hoort daarbij: aantoonbare gedragsbeheersing van de pleger, onafhankelijk gemonitord. Niet via het slachtoffer, maar via reclassering, behandelobservatie, contact met kinderen, gedrag op het werk. In Nederland is dat voor de meerderheid van de plegers nu niet beschikbaar. Dat is op zichzelf al een bevinding: de uitkomst kan niet gemeten worden omdat de pleger uit zicht is.

Drie hefbomen, één probleem

Drie blindheden zijn drie aangrijpingspunten. Wie alleen op één laag werkt, krijgt de andere twee als tegenspeler. Wie taal verandert maar het systeem in stand houdt, levert betere zinnen op zonder betere uitkomsten. Wie het systeem hervormt zonder de framing in mensen te verzetten, krijgt nieuwe regels die in de praktijk worden omzeild. Wie alleen plegers behandelt zonder hun Job To Be Done te begrijpen, kweekt cynisme bij hulpverleners die zien dat het niet werkt.

De minister van zorg die morgen één ding moet doen, doet dit: laat de hulpverlening niet langer afrekenen op het aantal afgehandelde dossiers, maar op de mate waarin slachtoffers zichtbaar autonomie heroveren. Daarmee stuurt het systeem op iets dat het kan beïnvloeden, in plaats van op iets waarover het geen macht heeft. Daarmee schuift het zwaartepunt weg van wegkijken en privatiseren, en richting bescherming en herstel.

De woorden waarmee we geweld benoemen, bepalen of we het bestrijden of in stand houden. De prikkels waarop we hulpverleners afrekenen, bepalen welk gedrag het veld werkelijk vertoont. De rol die we plegers in onze frames geven, bepaalt of ze in beweging komen of zich opsluiten. Drie hefbomen, één probleem. Wie ze tegelijk durft te bewegen, verandert wat tot nu toe onveranderbaar leek.

Trainingen voor professionals
Of bekijk alle vakgebieden →

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen "huiselijk geweld" en "partnergeweld"?

De termen verwijzen naar grotendeels hetzelfde fenomeen, maar "huiselijk geweld" activeert in Systeem 1 een gezellige, neutrale associatie en verbergt wie de pleger en wie het slachtoffer is. "Partnergeweld" benoemt scherper dat het gaat om geweld binnen een intieme relatie, met een pleger en een slachtoffer. Voor wie effectief wil interveniëren is preciezere taal nodig, omdat woorden de scripts in onze hoofden activeren die bepalen wat hulpverleners, omstanders en plegers vervolgens doen.

Wat betekent outside-in denken bij plegers van geweld?

Outside-in denken is de discipline om je eigen morele oordeel even uit te schakelen en de vraag te stellen welke onderliggende behoefte de pleger met zijn gedrag probeert te bedienen. Bijna altijd is dat een poging tot controle of het vermijden van verlies. Effectieve interventies bieden een betere oplossing voor dezelfde behoefte: een beter voorbeeld voor de kinderen kunnen zijn, de stress die hem ziek maakt verlagen, of voorkomen dat hij alles verliest wat hij krampachtig probeert vast te houden. Het is niet vergoelijking, maar precieze gedragsanalyse die het verschil maakt tussen iemand die zich opsluit en iemand die in beweging komt.

Wat is de Wegweisung en werkt die in Nederland?

De Wegweisung is een Oostenrijkse maatregel uit 1997 waarbij bij een melding van geweld standaard de pleger het huis moet verlaten, niet het slachtoffer. Daarmee verschuift de bewijslast en handelingslast van slachtoffer naar pleger en handhaving. Onderzoek wijst op een significante daling van herhaling. In Nederland bestaat het tijdelijk huisverbod sinds 2009, maar wordt het minder consequent ingezet en zijn de termijnen korter. Een structureler gebruik vraagt om institutionele ondersteuning rond pleger, kinderen en handhaving.

Waarom zou autonomie een betere uitkomstmaat zijn dan stoppen-met-geweld?

Stoppen met geweld is afhankelijk van de pleger en wordt gemeten via meldingen van het slachtoffer, met grote onderrapportage. Autonomie meet het tegenovergestelde van wat de pleger produceert: financiële zelfstandigheid, eigen sociale contacten, eigen woonplek en eigen dagindeling. Die maat kan stijgen ook als hij nog niet veranderd is, hoeft niet te wachten op zijn gedragsverandering en legt de last niet bij het slachtoffer. Een hulpverlening die hierop wordt afgerekend, gaat structureel andere vragen stellen en andere middelen inzetten.

Hoe kunnen omstanders effectiever ingrijpen?

Omstanders zitten vast in een feedbackloop van pluralistische onwetendheid: omdat niemand iets doet, leidt iedereen daaruit af dat het wel meevalt. De interventie zit niet in een morele oproep, maar in het doorbreken van die loop. Concreet ingrijpen vraagt om vooraf bedachte handelingsroutines: één concrete vraag stellen aan het mogelijke slachtoffer in een veilige context, een melding doen bij Veilig Thuis, of de pleger in een veilig framing-gesprek confronteren met wat hij dreigt te verliezen. Pre-bedachte routines zijn nodig omdat Systeem 1 op het moment zelf vrijwel altijd voor wegkijken kiest.

Astrid Groenewegen - Co-founder SUE Behavioural Design
Wekelijkse nieuwsbrief

1,5 minuten over invloed

Meer dan 10.000 lezers  ·  Gratis  ·  Altijd uitschrijven mogelijk